De afgelopen twintig jaar is thermisch gemodificeerd hout (TMH) in Europa gepositioneerd als een duurzaam alternatief voor tropisch hardhout.Producenten verwijzen daarbij steevast naar de Europese norm EN 350, waarin houtsoorten op basis van laboratoriumtesten worden ingedeeld in duurzaamheidsklassen.Wat veel ontwerpers en bouwprofessionals echter niet weten: de testmethodes waarop deze classificaties gebaseerd zijn, waren tot voor kort onvolledig.Pas sinds 2020 verplicht de nieuwe norm EN 113-2:2020 een aangepaste testaanpak voor gemodificeerd hout, inclusief een extra, cruciale schimmelsoort en een aanbevolen versnelde veroudering vooraf.Tijd om de feiten op tafel te leggen.

Wat betekent 'natuurlijke duurzaamheid' van hout?

Natuurlijke duurzaamheid verwijst naar de weerstand van een houtsoort tegen biologische aantasting (schimmels, insecten, organismen).

In Europa wordt deze getest in het lab, waarbij het massaverlies na schimmelaantasting bepaalt in welke duurzaamheidsklasse het hout valt:

Klasse    Beschrijving          Massa-verlies
1           Zeer duurzaam      < 5%
2           Duurzaam              5–10%
3           Matig duurzaam     10–15%
4           Weinig duurzaam   15–30%
5           Niet duurzaam       > 30%
 
Tot zover de basis.
Maar de manier waarop deze duurzaamheid wordt getest, is recent ingrijpend aangepas en dat heeft grote gevolgen voor thermisch gemodificeerd hout.

De situatie vóór 2020: oude normen, gebrekkige inzichten

Voor 2020 baseerden producenten zich vaak op:

EN 113:1996
CEN/TS 15083-1:2005
EN 350-1

Deze normen zijn officieel ingetrokken wegens verouderde methodes en onvoldoende relevante data.
Toch blijven veel fabrikanten zich op deze normen beroepen, wat zorgt voor onrealistische duurzaamheidsclaims en structurele misleiding in de markt.

De geldige norm sinds 2020 is: EN 113-2:2020.

Waarom de oude test faalde voor gemodificeerd hout

De klassieke laboratoriumtest stelde hout 16 weken bloot aan twee schimmels:

Coniophora puteana (bruinrot)
Trametes versicolor (witrot)

Die werkwijze volstond voor natuurlijk hout, maar gaf een vertekend beeld bij gemodificeerde houtsoorten, zoals TMH.

Waarom?

1. Vertekend vochtgehalte bij aanvang
Gemodificeerd hout komt uit de oven met een laag vochtgehalte (~4%), terwijl het referentiehout rond de 12% zit. Aangezien vocht bijdraagt aan massa, lijkt gemodificeerd hout minder aangetast, terwijl het verschil vooral in startcondities zit.

2. Vertraagde schimmelactiviteit
Schimmels worden pas actief vanaf ongeveer 20% vochtgehalte. Omdat gemodificeerd hout minder vocht opneemt én droog begint, wordt die drempel vaak veel later bereikt dan bij referentiehout.
Hierdoor:
- Start de biologische aantasting te laat
- Wordt de werkelijke schade onderschat
➡️ Oplossing: versnelde veroudering vooraf, zodat het vochtgedrag realistischer overeenkomt met buitentoepassingen.

3. Onvolledige schimmelkeuze
De klassieke test gebruikte slechts twee schimmels.
Maar sommige schimmels zijn beter aangepast aan gemodificeerde celstructuren, zoals:
Rhodonia placenta: een agressieve bruinrotschimmel die wél in staat is TMH (en gemodificeerde bamboevezels) aan te tasten.
Deze schimmel ontbrak volledig in de oude testmethodes.

Wat verandert er met EN 113-2:2020?

De nieuwe norm is ontworpen om een realistischere beoordeling te bieden van houtsoorten, en in het bijzonder van gemodificeerde materialen.

De drie belangrijkste aanpassingen:

Verplichte opname van 'Rhodonia placenta'
Deze schimmel wordt nu standaard gebruikt bij testen van gemodificeerd hout.

Aanbevolen versnelde veroudering vooraf
Zo wordt het vochtgedrag realistischer, en wordt schimmelaantasting correct ingeschat.

Nieuwe toetsing onder gelijke omstandigheden
Vermijdt voordeel voor kunstmatig gedroogd hout in vergelijking met natuurlijk materiaal.

Wat betekent dit voor thermisch gemodificeerd hout?
De impact is groot:

Duurzaamheidsclaims op basis van de oude normen zijn niet langer betrouwbaar.
Nieuwe testen conform EN 113-2:2020 tonen dat TMH vaak een lagere duurzaamheidsklasse behaalt dan eerder geclaimd:
Duurzaamheidsklasses 1–2 zullen waarschijnlijk naar klasse 2,3 en 4 zakken.

De norm maakt onderscheid tussen natuurlijke en kunstmatige houtsoorten, essentieel in een markt die transparantie vereist.
Toch zijn er nauwelijks (of niet?) volledige testresultaten beschikbaar die conform EN 113-2:2020 beschikbaar.
Dit wijst erop dat de sector terughoudend is om de werkelijke prestaties publiek te maken.


Wat doen wij hiermee?

In onze zoektocht naar Lesser Known Timber Species (LKTS) merken we hoe beperkt en inconsistente data vandaag de dag zijn.
Soms varieert de duurzaamheidsklasse van een onbehandelde houtsoort tussen klasse 2 en 3, afhankelijk van de bron.
In buitentoepassing is dat verschil belangrijk.

Daarom starten wij een eigen testcampagne volgens EN 113-2:2020, gefocust op onbehandelde houtsoorten.
Optioneel kunnen gemodificeerde houtsoorten mee getest worden, maar die verantwoordelijkheid ligt in de eerste plaats bij de producenten zelf.

Doel: een helder, eerlijk en vergelijkbaar beeld van de echte, biologische duurzaamheid van minder bekende houtsoorten.

Conclusie

De introductie van EN 113-2:2020 markeert een belangrijke stap richting eerlijke en transparante duurzaamheidstesten.

Vooral bij gemodificeerde materialen zoals thermisch gemodificeerd hout (TMH) of andere gemodificeerde vezels (bamboe, etc) is deze aangepaste norm cruciaal: ze verplicht de opname van schimmels die specifiek gericht zijn op de zwakke plekken van deze materialen, en zorgt met een versnelde veroudering voor een realistischer testkader.

Thermische modificatie biedt zeker voordelen:

Het hout wordt vormstabieler, met een duidelijk verminderd krimp- en zwelgedrag.
➤ Dit maakt bepaalde houtsoorten geschikter voor buitentoepassingen, waar ze zonder modificatie moeilijk toepasbaar waren.
De verlaagde vochtopname vertraagt de biologische aantasting, wat in de praktijk zorgt voor een beperkte verbetering van de duurzaamheid.

Tegelijkertijd zijn er belangrijke kanttekeningen:

Thermische modificatie maakt de celwand brosser, wat het hout mechanisch kwetsbaarder maakt bij langdurige belasting, slijtage of veroudering.
Dit zorgt dus voor een verzwakking in duurzaamheid.
De brandreactieklasse verslechtert doorgaans aanzienlijk na thermische modificatie, met een verhoogd risico op snelle ontbranding en vlamuitbreiding in vergelijking met onbehandeld hout.

Wie duurzaam wil bouwen met hout, moet dus verder kijken dan de klassieke claims en bewust kiezen op basis van actuele, realistische en transparante testgegevens.