Brandreactie wordt vandaag getest op nieuw materiaal in een laboratorium. Dat gebeurt onder perfecte, gecontroleerde omstandigheden. In de praktijk hangen houten gevels en bekledingen echter jarenlang buiten in regen, wind, zon en vorst. We weten al langer dat brandvertragende behandelingen onder die omstandigheden kunnen verzwakken. Toch wordt zelden systematisch bekeken wat dat betekent voor bestaande gebouwen. Het onderzoek dat hier wordt besproken vertrekt precies vanuit die vraag. Niet: “Behaalt dit product klasse B in het lab?”, maar wel: “Hoe gedraagt het zich na jaren buitengebruik?” En daaruit volgt een belangrijke discussie: als klasse B wordt geëist, moet die prestatie dan ook na tien of twintig jaar nog gelden?

Wat werd precies onderzocht?

Dit webinar is gebaseerd op onafhankelijk academisch onderzoek. Alles wat wordt gepresenteerd, steunt op metingen, statistiek en reproduceerbare testmethoden. De onderzoekers tonen in de presentatie ook welke commerciële producten werden onderzocht. Ik herhaal die namen hier bewust niet. Wie dat wil, kan de volledige webinar zelf bekijken via de link onderaan deze blog.
Belangrijk: het gaat hier niet om experimentele nicheproducten. Het onderzoek behandelt gangbare brandvertragende systemen met een officieel EN 16755 EXT-document. Dat zijn precies de systemen die vandaag in België en Nederland veel worden toegepast.

Het doel van het onderzoek is bijzonder praktisch: men wil een methode ontwikkelen om in bestaande gebouwen te kunnen inschatten of de brandvertragende werking nog aanwezig is. Zonder grote schade aan het gebouw en zonder volledige herclassificatietesten. Eerst een screening, en alleen indien nodig diepgaander onderzoek. Dat betekent automatisch dat men ervan uitgaat dat brandprestatie in buitentoepassing kan veranderen doorheen de tijd.

   Brandprestatie bij buitentoepassing kan meetbaar veranderen.

De studie omvatte verschillende types behandelingen:

- Klassieke brandvertragende zouten (gecombineerd met een oppervlakteafwerking),
- Systemen waarbij zouten worden gecombineerd met polymeren of fixerende componenten om uitloging te beperken.

Met andere woorden: zowel traditionele als “verbeterde” systemen werden onderzocht.

Er werd staalname gedaan bij bestaande gebouwen, waaronder een schadegeval in Zweden.

Wat hebben ze gemeten?

De onderzoekers hebben het hout letterlijk in dunne lagen opgedeeld, van de buitenkant (blootgesteld aan weer) tot de achterzijde. Elke laag werd afzonderlijk getest.

Wat bleek?
De degradatie verloopt niet gelijkmatig. De buitenlaag vertoont een hogere brandintensiteit en net daaronder daalt die weer.
In het midden van het profiel verschijnt opnieuw een duidelijke piek, de achterzijde stijgt licht.

Dat betekent dat het materiaal intern ongelijkmatiger wordt na veroudering. Het brandgedrag wordt minder homogeen en dus minder voorspelbaar.

Daarnaast werden grotere proefstukken getest onder een warmtestralingsbelasting van 50 kW/m², vergelijkbaar met een reële brandbelasting. Daar werd systematisch een hogere maximale warmtevrijgave gemeten na weersblootstelling.
Voor één van de systemen steeg die waarde van gemiddeld 148 kW/m² naar 193 kW/m². Statistisch significant.
Dat is geen detail. De maximale warmtevrijgave (HRRmax) is exact de parameter die binnen de Europese classificatie bepaalt of een product in klasse B blijft of afglijdt naar een lagere klasse.

De parameter die de brandreactieklasse bepaalt, verandert significant na veroudering.

Wat is het mechanisme hierachter?

De onderzoekers maten ook het evenwichtsvochtgehalte (EMC) van het hout.

Brandvertragende zouten zijn hygroscopisch: ze trekken vocht aan.
Wanneer het EMC daalt na veroudering, betekent dat in de praktijk dat er zouten verdwenen zijn.

En precies daar zit de logica: Minder zout → lager EMC → hogere warmtevrijgave.
Dat verband werd effectief aangetoond. Het is dus geen toevallige afwijking, maar een samenhangend fysisch-chemisch mechanisme.

Belangrijk: ook systemen met polymeren vertoonden veranderingen. Polymerfixatie lijkt uitloging te vertragen, maar niet volledig te stoppen.

De fundamentele vraag
Hier komt de echte discussie.

Als we vandaag brandreactieklasse B eisen voor een gevel in buitentoepassing, moet die klasse dan behouden blijven gedurende de volledige levensduur of aanvaarden we een zekere terugval?
En zo ja, hoeveel? Hoe snel?

Het feit dat deze vaststellingen gebeuren bij systemen met een officieel EN 16755 EXT-document maakt dit des te relevanter.
EXT bevestigt duurzaamheid onder buitentoepassing volgens de huidige normen.
Maar als meetbaar blijkt dat parameters zoals HRRmax stijgen, dan moeten we eerlijk durven vragen wat “duurzaam” in de praktijk betekent.

Waarom Europese samenwerking essentieel wordt
Bouwproducten circuleren vrij binnen Europa, de verschillende brandvertragende producten komen in allerlei landen terug.
We kunnen dit gesprek niet per land  voeren.

Als we duurzaamheid van brandprestatie ernstig nemen, dan moeten verouderingsprotocollen, beoordelingsmethoden en aanvaardbare grenswaarden Europees worden afgestemd.
Initiële classificatie bij brandvertragende behandelingen alleen volstaat niet meer. De vraag naar prestatiebehoud wordt steeds belangrijker.

Het belang van het basisproduct

Dit onderzoek bevestigt iets wat ik al jaren benadruk.
Wanneer een brandvertragende behandeling verzwakt, valt het systeem terug op het intrinsieke brandgedrag van het hout zelf.
Daarom is het essentieel om ook het brandgedrag van het basisproduct te kennen, namelijk het onbehandelde variant (houtsoort, opbouw, profilering, oriëntatie, eventuele modificatie, etc).

  Het intrinsieke brandgedrag van het basisproduct blijft de ondergrens.

Niet-gemodificeerd massief hout heeft een voorspelbaar brandgedrag. Het is chemisch stabiel. Het verliest geen actieve componenten door uitloging. Die betrouwbaarheid is belangrijk in risicobeoordeling.

Wanneer een hogere brandklasse volledig afhankelijk wordt van een chemische behandeling, dan moet men ook weten wat de ondergrens is als die behandeling deels degradeert.
Gemakkelijk gezegd, hoe groter de initiële opwaardering door een brandvertragende behandeling, hoe groter het potentiële verschil met het intrinsieke brandgedrag van het basisproduct (en dus hoe groter de mogelijke terugval bij degradatie).

Dat is geen pleidooi tegen behandelingen.
Dat is een pleidooi voor inzicht in het volledige risicoprofiel.

Conclusie
Het onderzoek toont duidelijk aan dat brandvertragend behandeld hout onder realistische buitentoepassing meetbaar kan veranderen in brandgedrag. De maximale warmtevrijgave stijgt significant. De degradatie verloopt niet homogeen over de doorsnede.
Dat betekent niet dat gebouwen plots onveilig zijn.
Maar het betekent wél dat brandreactie bij chemisch behandelde houtproducten geen vanzelfsprekend blijvende eigenschap is.

De kernvraag is daarom relatief simpel:
Als klasse B wordt geëist, hoe zorgen we ervoor dat die prestatie duurzaam behouden blijft?
En als terugval optreedt, wat is dan een aanvaardbare ondergrens en hoe snel mag die behaald worden?

Brandveiligheid mag geen momentopname zijn bij oplevering.
Ze moet een blijvende systeemeigenschap zijn, waardoor het brandrisico berekenbaar blijft.

Dit onderzoek verlegt de focus van initiële classificatie naar duurzame prestatie en dat is een noodzakelijke stap als we brandveiligheid op lange termijn ernstig willen nemen.


KLIK HIER om de webinar van Brandforsk te beluisteren.